Longkankerscreening wérkt, ook in Vlaanderen

31 juli 2026

De eerste resultaten van de ZORALCS-studie tonen dat georganiseerde longkankerscreening in Vlaanderen haalbaar is en resultaten oplevert die vergelijkbaar zijn met die van ander Europese studies.

  • Longkanker

Longkanker blijft de belangrijkste oorzaak van kankersterfte in België, maar een georganiseerd bevolkingsonderzoek bestaat voorlopig niet. De ZORALCS-studie is een Vlaamse pilootstudie naar longkankerscreening georganiseerd in de zes gemeenten in de regio Zuid-Oost Rand Antwerpen. Als implementatieonderzoek brengt ze niet alleen in kaart welke resultaten screening oplevert, maar ook hoe een toekomstig bevolkingsonderzoek in de praktijk georganiseerd kan worden. “Als we morgen een bevolkingsonderzoek zouden doen in heel Vlaanderen, dan moeten we als het ware kunnen copy-pasten”, zegt prof. dr. Annemiek Snoeckx, hoofddocent aan de Universiteit Antwerpen, diensthoofd radiologie van het UZA en hoofdonderzoeker van de studie.

De respons is beter dan verwacht

In maart 2025 ging de ZORALCS-studie van start. 25.883 inwoners tussen 55 en 74 jaar kregen een uitnodigingsbrief. Van hen logden er 5.272 (20%) in op het rekruteringsplatform en 4.874 vulden de vragenlijst in om hun persoonlijk risico op longkanker te bepalen. Uiteindelijk kwamen 1.390 personen in aanmerking, van wie er 1.172 effectief deelnamen – 770 mannen (66%), 401 vrouwen (34%) en 1 non-binair persoon, met een mediane leeftijd van 66 jaar. Alle deelnemers kregen een lagedosis-CT-scan van de longen.[1]

Intussen is de eerste screeningsronde afgerond en worden de deelnemers opnieuw uitgenodigd voor een controle, een jaar na hun eerste scan.

Prof. Snoeckx blikt tevreden terug: “Bijna 26.000 mensen kun je niet in één keer uitnodigen. We hebben dus gemeente per gemeente gewerkt en dat is verrassend vlot verlopen. Een van de belangrijkste conclusies is dat de respons beter was dan we op basis van vergelijkbare studies hadden ingeschat”, zegt ze.

De onderzoekers zagen nog andere opvallende verschillen. “We rekruteren minder vrouwen dan in de andere studies – slechts een derde van de deelnemers is vrouw”, vertelt prof. Snoeckx. “Het is voor ons nog niet duidelijk of onze regio minder vrouwen met een hoog risico telt, dan wel of we vrouwen missen die wel in aanmerking komen, maar toch niet deelnemen. Dat is iets wat we verder willen onderzoeken.”

Het lijkt ook moeilijker om mensen die actief roken te bereiken. “We rekruteren meer mensen die gestopt zijn met roken (64%) dan mensen die nog actief roken (36%)”, zegt ze. “In andere grootschalige studies is die verhouding eerder 50-50. We zullen dus ongetwijfeld een deel van de mensen die actief roken moeilijk kunnen bereiken, jammer genoeg.”

Digitale drempels vormen geen belemmering 

“48% heeft middelbaar onderwijs ingevuld als hoogste opleiding”, zegt prof. Snoeckx. Een opvallend resultaat omdat je, om te kunnen deelnemen aan de studie, verschillende digitale stappen moest doorlopen: deelnemers kregen een brief, moesten naar een website gaan en zich aanmelden via itsme®.

Dat het gelukt is om die groep te bereiken is te danken aan de goede ondersteuning. “We hebben veel energie gestoken in het informeren van de eerste lijn – niet alleen huisartsen, maar ook apothekers en andere gezondheidswerkers. De OCMW’s en de digipunten hebben we ook ingeschakeld”, vertelt ze. “En verder konden deelnemers met vragen terecht bij een hulplijn en een e-mailadres van de studie. Zo zijn er 530 telefoontjes en meer dan 600 e-mails binnengekomen. Daaraan zie je dat we te maken hebben met een generatie die de telefoon nog gewoon gebruikt om te bellen”, glimlacht ze.

En ten slotte bleek eenvoudige communicatie belangrijk. De eerste uitnodigingsbrief was opgesteld naar analogie met die voor bestaande bevolkingsonderzoeken en bevatte behoorlijk wat informatie. “Al was die wel behapbaar, voor heel wat mensen blijft zo’n brief toch een uitdaging”, zegt prof. Snoeckx. Daarom werden er, geïnspireerd door een studie naar borstkankerscreening, sterk vereenvoudigde herinneringsbrieven gestuurd. “Die bevatten gewoon de essentie: u wordt uitgenodigd, met veel minder tekst en uitleg. En die aanpak heeft ook bij ons goed gewerkt.”

“Om maar te zeggen dat we op allerlei manieren hebben geprobeerd om de participatiegraad zo hoog mogelijk te krijgen. Het is een en-enverhaal”, benadrukt prof. Snoeckx. Welke van de initiatieven welke impact heeft gehad is voer voor verdere analyse. Tegelijkertijd beseffen de onderzoekers dat bepaalde groepen moeilijker bereikbaar zullen blijven. Zo moeten uitnodigingsbrieven voor bevolkingsonderzoeken volgens de huidige regelgeving in het Nederlands worden verstuurd. Prof. Snoeckx vermoedt dat communicatie in andere talen een verschil zou kunnen maken voor sommige doelgroepen, maar ze wijst erop dat de ZORALCS-studie bewust werkt binnen het bestaande wettelijke kader. “Ons studiedesign is zo opgesteld dat het schaalbaar is naar een toekomstig bevolkingsonderzoek in Vlaanderen.”

“Alles bij elkaar is het eindresultaat positief”, zegt ze. “We hebben een representatief staal van de bevolking bereikt.”

De resultaten zijn representatief

De eerste resultaten liggen bovendien in lijn met wat de onderzoekers op basis van andere recente Europese studies verwachtten. Bij 2,65% van de deelnemers was er sprake van een positief screeningsresultaat. Dat wil zeggen dat er een afwijking werd vastgesteld die meteen extra onderzoek vraagt. Sommige van deze gevallen zullen uiteindelijk longkanker blijken te zijn, andere niet. Bij 5,46% van de deelnemers werd een longafwijking gevonden die tussentijds moet worden opgevolgd.

“Voor leken zeggen die getallen misschien niet veel, maar het zijn percentages die we hadden verwacht”, zegt prof. Snoeckx. “Ze komen ook naar voren uit andere onderzoeken. Zo loopt er een Duitse studie die op dezelfde manier werkt en bijna exact dezelfde resultaten laat zien.”

Het aandeel deelnemers dat tussentijds moet worden opgevolgd ligt met 5,46% wel veel lager dan in oudere screeningstudies, zoals NELSON, een grote Nederlands-Belgische studie die werd opgestart in 2003. “Dat is belangrijk, omdat het gaat om mensen bij wie een afwijking wordt gevonden die niet verdacht genoeg is om meteen verder te onderzoeken, maar ook niet onschuldig genoeg om pas een jaar later opnieuw te bekijken. Die groep wil je zo klein mogelijk houden”, legt prof. Snoeckx uit. “Want die mensen hebben extra scans en controles nodig. Dat brengt niet alleen extra kosten met zich mee, maar zorgt vaak ook voor ongerustheid.” Een en ander is het resultaat van de vooruitgang die de voorbije twintig jaar is geboekt. Scans zijn verbeterd, de software is geëvolueerd en we kunnen vandaag veel beter inschatten welke longnodules[2] veilig kunnen wachten en welke sneller verdere opvolging vereisen.

Dat de Vlaamse resultaten zo nauw aansluiten bij andere kwaliteitsvolle Europese screeningsstudies, toont aan dat het programma functioneert zoals het hoort. Is de ZORALCS-studie representatief? “Ja, absoluut!”

Alleen de manier waarop ‘bijkomende bevindingen’ worden behandeld, verschilt van andere screeningsprogramma’s. Bij 13 deelnemers of 1,1% werd op de scan een afwijking buiten de long gevonden waarvoor verder onderzoek aangewezen is. “Wij rapporteren alleen de grote afwijkingen die ethisch gezien moeilijk te negeren zijn of een onmiddellijke behandeling zouden vereisen, zoals een verdachte massa in een ander orgaan of letsels die op een andere kanker kunnen wijzen. Andere studies melden ook andere bevindingen, waarvan niet duidelijk is of extra opvolging een meerwaarde heeft, zoals verkalkingen van de bloedvaten aan het hart. Daardoor is die 1,1% moeilijk te vergelijken.”

Dat de Vlaamse resultaten zo nauw aansluiten bij andere kwaliteitsvolle Europese screeningsstudies, toont aan dat het programma functioneert zoals het hoort.

Het stigma rond longkanker blijft groot

Longkankerscreening is dus technisch en organisatorisch haalbaar. Maar volgens prof. Snoeckx heeft het voorbije jaar ook iets anders duidelijk gemaakt: het stigma rond longkanker blijft groot.
“Elke keer als we met ons onderzoek in de media kwamen, kregen we wel een paar negatieve reacties van mensen zich afvroegen of we nu echt geld moeten spenderen aan mensen die roken of gerookt hebben die het zelf gezocht hebben.”

Dat vooroordeel weegt ook op de deelnemers aan de screening. “Ze zijn niet alleen bang voor een mogelijke diagnose, ze hebben ook het gevoel dat ze verantwoordelijk zullen worden gehouden voor hun ziekte. Ze ervaren heel veel schaamte.”

“Nochtans willen veel mensen die actief roken stoppen”, benadrukt prof. Snoeckx. Dat blijkt ook uit de cijfers: 88,5% van de deelnemers die in aanmerking kwamen nam ook deel aan het rookstopprogramma TAMIRO-STOP dat geïntegreerd werd in de ZORALCS-studie. “Maar stoppen met roken is gewoon heel moeilijk. Roken is een verslaving, geen keuze. Alleen ziet de maatschappij dat anders.”

“Als iemand zegt: ik heb longkanker, dan is de eerste vraag vaak: heb jij gerookt? Maar zegt diezelfde persoon ik heb leverkanker, dan zullen mensen minder geneigd zijn om te vragen: heb jij gedronken? Ben jij een alcoholist?”

Voor prof. Snoeckx is dat een belangrijke les uit de studie. Longkankerscreening gaat niet alleen over vroegtijdige opsporing, scans en cijfers. Het gaat ook over hoe we kijken naar mensen met een verhoogd risico op longkanker en hoe we als samenleving omgaan met ziekte, schuld en verantwoordelijkheid.

Roken is een verslaving, geen keuze. Alleen ziet de maatschappij dat anders.

Hoe gaat het nu verder?

Nu moeten er nog belangrijke analyses gebeuren. De eerste resultaten tonen hoeveel deelnemers een afwijkende scan hadden, maar daarmee is nog niet alles gezegd. Een verdachte afwijking op een scan is immers niet automatisch longkanker. Omgekeerd kan iemand een geruststellende scan krijgen en toch enkele jaren later longkanker ontwikkelen. Daarom willen de onderzoekers de deelnemers de komende jaren blijven opvolgen en de gegevens koppelen aan het Belgisch Kankerregister. Zo kunnen ze nagaan hoeveel kankers door de screening werden opgespoord en hoeveel er ondanks de screening toch zijn ontstaan of gemist. Dat klinkt eenvoudig, maar zo’n koppeling vergt strikte privacyprocedures, en de gegevens van het Kankerregister zijn voor een bepaald jaar pas twee jaar later beschikbaar. De resultaten zullen dus nog enige tijd op zich laten wachten.

Ook op beleidsvlak loopt nog bijkomend onderzoek. Eerder concludeerde het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) dat gerichte longkankerscreening bij mensen die roken of gerookt hebben in België kosteneffectief kan zijn – een conclusie gebaseerd op oudere onderzoeksdata.[3] “Met de manier van werken van onze studie en de huidige data zal die kosteneffectiviteitsanalyse alleen nog maar gunstiger uitvallen dan toen al het geval was”, zegt prof. Snoeckx. Intussen staat een nieuwe KCE-studie op de planning die moet nagaan wat een bevolkingsonderzoek naar longkanker zou kosten en welke capaciteit daarvoor nodig zou zijn op het vlak van personeel en organisatie.

Verdere opvolging is niet verzekerd

Een van de belangrijkste uitdagingen wordt ervoor zorgen dat deelnemers blijven terugkomen. “We zien dat in andere studies ook. Mensen hebben deelgenomen, hebben een goede uitslag gekregen en denken: een keer is genoeg geweest. Ik heb geen kanker. Het is wel goed nu. Maar zo werkt het niet. We moeten de hele cohorte van 1.172 deelnemers gedurende verschillende jaren kunnen volgen.”

Alleen is de financiële toekomst van de ZORALCS-studie nog niet verzekerd. De tweede screeningsronde is intussen gestart, maar voor de daaropvolgende rondes moeten de onderzoekers bijkomende financiering vinden. Bestaat het risico dat ze door geldgebrek vroegtijdig moeten stoppen? “Zeker, maar we zullen er alles aan doen om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.”

De uitdaging ligt dan ook niet alleen in het verzamelen van extra gegevens. Minstens even belangrijk is de vraag wanneer er voldoende bewijs is om een beleidsbeslissing te nemen. Verschillende Europese landen hebben inmiddels al een nationaal screeningsprogramma ingevoerd of bereiden dat voor. “Bij ons heeft de overheid nog altijd niet gezegd welke bijkomende informatie nodig is voordat er over een georganiseerd bevolkingsonderzoek kan worden beslist”, zegt ze. “Wat evenmin helpt, is dat er voorlopig nog geen formele Europese aanbeveling bestaat voor een georganiseerd bevolkingsonderzoek naar longkanker.”

Tegelijk waarschuwt prof. Snoeckx dat uitstel niet zonder gevolgen is. Hoe langer een georganiseerd screeningsprogramma uitblijft, hoe groter de kans dat opportunistische screening terrein wint. Daarbij laten mensen zich buiten een gecontroleerd programma onderzoeken, waardoor precies de voordelen die een georganiseerd bevolkingsonderzoek zo waardevol maken verloren dreigen te gaan. “Het is altijd ambigu. Enerzijds wil je van de daken schreeuwen dat longkankerscreening werkt en belangrijk is. Maar opportunistische screening stimuleren is wel het laatste wat we willen”, zegt ze. “Dan ga je de verkeerde mensen screenen, is er geen kwaliteitscontrole en geen gestructureerde opvolging.”

De eerste resultaten zijn er. De vraag is nu welke volgende stap Vlaanderen bereid is te zetten.

Hoe langer een georganiseerd screeningsprogramma uitblijft, hoe groter de kans dat opportunistische screening terrein wint.

Waarom niet iedereen wordt gescreend

“We hebben ook negatieve reacties gekregen van mensen die gefrustreerd zijn omdat ze niet konden deelnemen aan onze studie”, zegt prof. Snoeckx. “Wie weinig of niet gerookt heeft, komt niet in aanmerking. Mensen begrijpen niet goed waarom dat zo is en vragen zich af waarom we niet gewoon iedereen screenen.”

Het antwoord is eenvoudig, maar niet intuïtief: screening heeft niet alleen voordelen, maar ook nadelen. En bij mensen met een laag risico op longkanker wegen die nadelen vaak zwaarder door dan de voordelen. De kans om longkanker te vinden is in die groep klein, terwijl screening wel kan leiden tot valspositieve resultaten, bijkomende onderzoeken, extra CT-scans en onnodige ongerustheid. Bovendien brengen die extra onderzoeken en scans ook kosten voor de gezondheidszorg met zich mee, zonder dat daar voldoende gezondheidswinst tegenover staat.

Een goed screeningsprogramma probeert dus niet zoveel mogelijk mensen te onderzoeken, maar wel de júíste mensen. Dat blijft een uitdaging. “We weten wie is komen opdagen, maar we weten niet exact wie allemaal in aanmerking komt. En er zijn zeker mensen die in aanmerking kwamen, maar niet hebben deelgenomen. Ook bij andere bevolkingsonderzoeken is dat zo, maar voorlopig hebben we daar dus weinig zicht op”, zegt ze. “Daarnaast zullen er altijd mensen longkanker ontwikkelen die minder hebben gerookt dan nodig is om gescreend te worden, of die nooit gerookt hebben. We weten dus dat we vandaag nog mensen missen die niet aan de huidige criteria voldoen, maar wél longkanker krijgen.”

“In een ideaal scenario komt er ooit een eenvoudige test, bijvoorbeeld op basis van speeksel of bloed, om je risico op longkanker in te schatten. Zo’n test zou dan bepalen of je een verhoogd risico hebt en een CT-scan aangewezen is. Screening zou dan niet langer afhangen van je rookgeschiedenis, maar van een verhoogd risico aangetoond door een biomarker. Wellicht zouden daardoor ook mensen die vandaag niet in aanmerking komen voor screening toch opgespoord kunnen worden”, blikt ze vooruit. “Maar zover zijn we nog niet. Daarom is werken met de huidige selectiecriteria voorlopig de best beschikbare aanpak.”

“Dat sommige mensen niet begrijpen waarom screening idealiter beperkt blijft tot een hoogrisicogroep toont aan dat we dat nóg beter moeten uitleggen”, besluit ze.

Een goed screeningsprogramma probeert niet zoveel mogelijk mensen te onderzoeken, maar wel de júíste mensen.

[1] Bij een lagedosis-CT-scan krijg je minder straling dan bij een klassieke CT-scan, maar voldoende om kleine afwijkingen zichtbaar te maken vóór er symptomen optreden.
[2] Een longnodule is een klein vlekje of knobbeltje in de long dat op een scan zichtbaar is. Meestal is zo’n afwijking goedaardig, maar soms kan ze wijzen op een beginnende longkanker.
[3] O.a. de resultaten van de NELSON-studie.

Meer artikels

Een afwijkend uitstrijkje. Wat nu?

Jaarlijks krijgen bijna 9.000 vrouwen [1] een conisatie om voorloperletsels te behandelen. Voorloperletsels zijn afwijkende cellen in de baarmoederhals die zich kunnen ontwikkelen tot baarmoederhalskanker. Ze worden opgespoord via een uitstrijkje. Aan een conisatie gaat een colposcopie vooraf – een kijkonderzoek van de baarmoederhals. In “We hebben de tools in…

‘Met de juiste aanpak kunnen we anale kanker quasi uitroeien’

Anale kanker is zeldzaam, quasi altijd HPV-gerelateerd en vaak voorkombaar – dat is als we voorstadia tijdig kunnen opsporen. In een uitgebreid interview gaat dr. Magali Surmont (UZ Brussel) in op de aanpak van anale kanker in België. Ze zoomt in op de drie momenten waarop we het verschil kunnen…