Een afwijkend uitstrijkje. Wat nu?

18 juni 2026

Jaarlijks krijgen bijna 9.000 vrouwen [1] een conisatie om voorloperletsels te behandelen. Voorloperletsels zijn afwijkende cellen in de baarmoederhals die zich kunnen ontwikkelen tot baarmoederhalskanker. Ze worden opgespoord via een uitstrijkje. Aan een conisatie gaat een colposcopie vooraf – een kijkonderzoek van de baarmoederhals. In “We hebben de tools in handen om baarmoederhalskanker de wereld uit te helpen” ging dr. Kobe Dewilde, gynaecoloog aan het UZ Leuven en gespecialiseerd in HPV-infecties, uitgebreid in op het wat, hoe en waarom van de nieuwe methode voor baarmoederhalsscreening. Nu betekent een afwijkend uitstrijkje niet meteen een colposcopie, laat staan een conisatie. Wanneer is een colposcopie aangewezen? Hoe gebeurt die? En hoe zit het met de behandeling van voorloperletsels?

  • HPV

Colposcopie geeft extra informatie

“Niet elke vrouw die positief test op hoogrisico-HPV krijgt een colposcopie, want dan zou ik van ’s morgens tot ’s avonds colposcopieën doen, zonder veel ernstige afwijkingen vast te stellen”, glimlacht dr. Dewilde. “Daarom is er een triage nodig. In de nieuwe Belgische screeningaanpak gebeurt die via het celonderzoek, al zijn er ook andere testen zoals dual staining en binnenkort methylatie (zie kaderstukje). Er bestaan uitgebreide tabellen, gebaseerd op voornamelijk buitenlandse gegevens, die het statistisch risico op een voorloperletsel inschatten voor allerlei combinaties van celonderzoekresultaten, HPV-type en leeftijd. Aan de hand daarvan hebben we dan een keuze gemaakt, want je wil niet te veel vrouwen een colposcopie aandoen, met eventueel een biopsie of behandeling, als de kans op een afwijking ontzettend klein is. In België hebben we, zoals in de meeste andere Europese landen, beslist om vanaf een risico van 10% op een voorloperletsel van baarmoederhalskanker een colposcopie uit te voeren. Het is dus een diagnostisch onderzoek om te bepalen of er een letsel is, ja of nee.”

Hoe gaat een colposcopie in zijn werk? Het is een onderzoek waarbij de baarmoederhals en de vagina met een speciale microscoop, een colposcoop, worden onderzocht. Dat gebeurt op een gewone raadpleging. Net zoals voor een uitstrijkje wordt een speculum in de vagina ingebracht. Met de colposcoop kan de arts dan afwijkingen opsporen die met het blote oog vaak niet zichtbaar zijn. Om ze beter te zien, stipt hij de baarmoederhals aan met kleurstoffen zoals azijnzuur en een jodiumoplossing, waardoor afwijkende cellen zich duidelijker aftekenen. Tijdens het onderzoek worden digitale beelden gemaakt en neemt de arts zo nodig een uitstrijkje of een biopsie voor verdere analyse. Soms kan een biopsie wat pijn of ongemak geven. Het hele onderzoek duurt meestal vijf tot tien minuten. Het weefselonderzoek zal uitwijzen of een eventueel letsel hoog- of laaggradig is (zie kaderstukje)

“In België hebben we, zoals in de meeste andere Europese landen, beslist om vanaf een risico van 10% op een voorloperletsel, een colposcopie uit te voeren.”

Dual staining en methylatie

De dual staining test is een extra test op het uitstrijkje waarbij men kijkt naar twee eiwitten in de cellen, p16 en Ki-67. Als beide tegelijk aanwezig zijn in dezelfde cel, wijst dat op ontregelde celdeling door HPV en dus een hogere kans op een voorloperletsel. De methylatietest kijkt niet naar cellen zelf, maar naar chemische veranderingen (methylatie) in het DNA van de cellen in het uitstrijkje. Die veranderingen treden op wanneer cellen evolueren richting kanker of hooggradige letsels. Met deze test kan worden ingeschat of een HPV-infectie onschuldig blijft of evolueert. Beide tests zijn gevoeliger dan het klassieke celonderzoek (hogere sensitiviteit, beter in het detecteren van letsels) en specifieker dan de HPV-test alleen (minder vals positieven). Daarom worden ze gezien als next generation triagetesten.

 

Voorloperletsels ingedeeld

Voorloperletsels zijn microscopisch zichtbare afwijkingen in de weefselopbouw van de baarmoederhals. Weefselonderzoek gebeurt op basis van weefsel afgenomen tijdens een biopsie of een conisatie. Voor de uitslag van dat onderzoek wordt gebruikgemaakt van de CIN-indeling. CIN staat voor cervicale intra-epitheleale neoplasie – afwijkingen in het epitheel van de baarmoederhals, ook wel dysplasie genoemd:

  • CIN1 (CIN I): eerstegraadsletsel of lichte afwijking. Dit is geen voorloperletsel van baarmoederhalskanker. CIN 1 is de vingerafdruk van een ongecompliceerde HPV infectie.
  • CIN2 (CIN II): tweedegraadsletsel of matige dysplasie. Beperkt tot het onderste twee derde van het epitheel. Het weefsel vertoont matige, duidelijker zichtbare afwijkingen. Bij vrouwen jonger dan 30 jaar verdwijnen deze afwijkingen in gemiddeld de helft tot driekwart van de gevallen vanzelf binnen twee jaar.
  • CIN3 (CIN III): derdegraadsletsel of sterke dysplasie. Het weefsel vertoont ernstige afwijkingen over de volledige diepte van het epitheel. De kans dat deze afwijkingen vanzelf verdwijnen is zeer klein. Behandeling is nodig.

De term voorloperletsel wordt alleen gebruikt voor de letsels van tweede en derde graad, CIN2 en CIN3.

Opvolging blijft belangrijk

“Langdurige hoogrisico-HPV-infecties verhogen het risico op voorloperletsels en baarmoederhalskanker, maar er zijn ook vrouwen die positief blijven testen zonder ooit een letsel te ontwikkelen”, zegt dr. Dewilde. “Omdat we vandaag niet kunnen voorspellen bij wie dat wel of niet zal gebeuren, beschouwen we een detecteerbaar virus als een verhoogd risico. Daarom volgt ook na een colposcopie waarbij geen hooggradig letsel werd gevonden een jaarlijkse controle – meestal met een HPV-test. Is die negatief, dan herhalen we de test na een jaar; blijft die negatief, dan kan je terug naar de routinescreening. Is het virus aanwezig, dan volgt bij HPV-type 16 en 18 sowieso een colposcopie. Bij andere hoogrisicotypes gebeurt eerst een celonderzoek: bij hooggradige afwijkingen herhalen we de colposcopie, bij een normaal of laaggradig beeld volgen we jaarlijks op met een HPV-test. Zolang die positief blijft, herhalen we de colposcopie om de twee jaar, soms zelfs jaarlijks – als de transformatiezone, het relevante gebied van de baarmoederhals, minder goed zichtbaar is.” (zie kaderstukje)

“Bij héél langdurige infecties durven we de algemene richtlijn al eens te verlaten”, nuanceert hij. “Richtlijnen zijn goed onderbouwd en gelden voor de meeste situaties, maar soms moet je de aanpak afstemmen op het individuele risico en overleggen met de patiënt. Voor de ene is 5% risico heel veel, voor de andere betekent het dat er 95% kans is dat er niets gebeurt. Dat bespreken we samen en op basis daarvan beslissen we hoe we verdergaan. Er kan dus weleens worden afgeweken van de richtlijnen, maar alleen doordacht, goed gedocumenteerd en door iemand met voldoende expertise.”

De kwetsbare transformatiezone
De baarmoederhals (cervix) vormt de verbinding tussen de baarmoeder en de vagina en bestaat uit twee delen die bekleed zijn met verschillende soorten slijmvlies (epitheel). De exo- of ectocervix, het onderste deel van de baarmoederhals gelegen in de vagina, is bekleed met plaveiselepitheel (squamous cells). De endocervix, het hoger gelegen deel richting de baarmoeder, is bekleed met cilindrisch epitheel (columnar cells). De overgang tussen deze twee soorten slijmvlies is de SCJ (squamocolumnar junction). Gedurende het leven van de vrouw verschuift deze overgangslijn hoger in de endocervix. De zone tussen de originele SCJ en de nieuwe SCJ wordt de transformatiezone genoemd (TZ). Afwijkingen veroorzaakt door HPV ontstaan typisch daar. Een TZ type 1 of type 2 betekent dat de transformatiezone tijdens een colposcopisch onderzoek volledig zichtbaar is. Bij een TZ type 3 is de transformatiezone niet volledig of helemaal niet zichtbaar.

Voorloperletsels kunnen we behandelen

Baarmoederhalskanker ontwikkelt zich traag. Het duurt lang, gemiddeld minstens 10 tot 15 jaar, voor een voorloperletsel uitgroeit tot kanker. Dr. Dewilde: “Dat is een voordeel, als ik dat zo mag zeggen, want doordat het proces zo traag verloopt, hebben we via periodieke screening meerdere kansen om die voorloperletsels te detecteren en op een eenvoudige, minimaal invasieve manier te behandelen, ruim vóór er sprake is van kanker.”

Voorloperletsels worden verwijderd met een conisatie – een ingreep waarbij een kegel- of conusvormig stukje baarmoederhalsweefsel wordt weggenomen, vandaar de naam[2]. Er zijn verschillende manieren om voorloperletsels weg te halen, maar de standaardbehandeling in België is de lusexcisie of LLETZ (Large loop excision of the transformation zone, ook LEEP – Loop electrosurgical excision procedure – genoemd). Deze behandeling, die onder lokale of algemene verdoving gebeurt en ongeveer een kwartiertje duurt, lijkt op een colposcopie: terwijl de arts door een colposcoop kijkt, wordt met een lusvormig schroeidraadje het afwijkende stukje van het baarmoederhalsoppervlak weggenomen. Zo wordt de gehele zone waar het virus actief is verwijderd, waarna het weggenomen weefsel naar de patholoog wordt gestuurd voor microscopisch onderzoek.

De Nederlandse richtlijn vermeldt ook een behandeling met een vaginale zalf, Imiquimod, maar die wordt bij voorkeur gebruikt in studieverband en alleen in specifieke gevallen.

“Niet elk voorloperletsel evolueert tot baarmoederhalskanker”, zegt dr. Dewilde. “Tweedegraadsletsels kunnen spontaan verdwijnen, vooral bij jonge vrouwen. Voor een derdegraadsletsel is er een duidelijk verhoogd risico op kwaadaardige evolutie, al is spontane genezing niet uitgesloten. Maar omdat we vandaag nog niet kunnen voorspellen welke van die derdegraadsletsels eventueel zullen verdwijnen en welke niet, behandelen we die in principe altijd wegens het verhoogde risico op kanker.”

Die aanpak is ook ingegeven door lessen uit het verleden. In Nieuw-Zeeland werd in de periode 1955-1976 een grote groep vrouwen met derdegraadsletsels niet behandeld vanuit de overtuiging dat CIN3 geen écht voorstadium van kanker was. Jaren later bleek uit een studie op basis van hun medische dossiers dat een aanzienlijk deel van hen – een derde tot de helft – uiteindelijk tóch baarmoederhalskanker ontwikkelde. “Dat willen we dus absoluut vermijden”, benadrukt hij. “Wellicht kunnen we in de toekomst met nieuwe technieken, zoals biomarkers of methylatietesten, beter inschatten welke letsels veilig opgevolgd kunnen worden, maar voorlopig nemen we bij CIN3 geen risico en behandelen we.”

Er is geen behandeling voor HPV

Is het voor vrouwen die geen kinderwens (meer) hebben niet eenvoudiger om meteen de hele baarmoeder weg te nemen? “Die vraag krijg ik wel vaker”, antwoordt hij. “Toch is het een groot misverstand dat een radicale hysterectomie een afdoende behandeling is. Je risico op baarmoederhalskanker is dan wel afwezig, dat weegt niet op tegen de risico’s van de ingreep. Ernstige complicaties zijn weliswaar zeldzaam, maar niet onbestaande, en dus moet je al een hele goede reden hebben om te opereren. Maar belangrijker, het is geen definitieve behandeling voor HPV: als het virus aanwezig blijft, kun je bijvoorbeeld in de vaginakoepel, het bovenste deel van de vagina, opnieuw letsels krijgen, zelfs na een hysterectomie. Bovendien is het belangrijk om te beseffen dat HPV behalve baarmoederhalskanker ook kanker van de vagina, de vulva, de aars en de keel kan veroorzaken.”

Dr. Dewilde is er zich van bewust dat het geen populaire boodschap is, maar alle tabletten en zalfjes die op de markt worden gebracht ten spijt, de bottomline is simpel: er is (nog) geen behandeling voor een HPV-infectie.

Stop met struisvogelgedrag!

Voorkomen blijft dus beter dan genezen. Voor dr. Dewilde liggen de prioriteiten eenvoudig. “We moeten zoveel mogelijk jongeren vaccineren tegen HPV, liefst massaal in het eerste middelbaar, en vrouwen blijven aanmoedigen om zich om de drie of vijf jaar te laten screenen. En wie weet,” zegt hij, “misschien volstaat het bij vrouwen die gevaccineerd zijn binnenkort om ze nog maar één of twee keer in hun leven te testen. Zij zijn veel beter beschermd, waardoor het risico op afwijkingen veel kleiner is. Dat is iets wat onderzocht wordt.”

En vrouwen en hun partners? Wat kunnen zij verder nog zelf doen? Dr. Dewilde is stellig: “Erover praten! HPV, baarmoederhalskanker, uitstrijkjes … praat erover met elkaar, met familie, met vrienden, trek het uit de taboesfeer. Ik hoor vaak van patiënten dat ze na een afwijkend uitstrijkje en behandeling voor een voorstadium met vriendinnen praten die zich nog nooit hebben laten screenen, en dat ze dat nadien wél laten doen. Dat is goed: alle manieren om de participatie te verhogen, onwetendheid weg te nemen en het onderwerp uit de taboesfeer te halen, zijn meegenomen. Angst voor een onderzoek bij een huisarts of gynaecoloog zou geen reden mogen zijn om screening uit te stellen. Meestal valt het beter mee dan verwacht. Ga op zoek naar een arts bij wie je je op je gemak voelt, vraag uitleg en neem gerust iemand mee als dat helpt. Maar stel niet uit – struisvogelgedrag wreekt zich altijd!”

 

[1] Jaarlijks krijgen bijna 9.000 vrouwen een conisatie om voorloperletsels te behandelen. Bron: RIZIV 
[2] Een conisatie wordt niet alleen als behandeling toegepast, maar soms ook om een diagnose te helpen stellen.

“Angst voor een onderzoek bij een huisarts of gynaecoloog zou geen reden mogen zijn om screening uit te stellen.”

Meer artikels

‘Met de juiste aanpak kunnen we anale kanker quasi uitroeien’

Anale kanker is zeldzaam, quasi altijd HPV-gerelateerd en vaak voorkombaar – dat is als we voorstadia tijdig kunnen opsporen. In een uitgebreid interview gaat dr. Magali Surmont (UZ Brussel) in op de aanpak van anale kanker in België. Ze zoomt in op de drie momenten waarop we het verschil kunnen…