Voorloperletsels kunnen we behandelen
Baarmoederhalskanker ontwikkelt zich traag. Het duurt lang, gemiddeld minstens 10 tot 15 jaar, voor een voorloperletsel uitgroeit tot kanker. Dr. Dewilde: “Dat is een voordeel, als ik dat zo mag zeggen, want doordat het proces zo traag verloopt, hebben we via periodieke screening meerdere kansen om die voorloperletsels te detecteren en op een eenvoudige, minimaal invasieve manier te behandelen, ruim vóór er sprake is van kanker.”
Voorloperletsels worden verwijderd met een conisatie – een ingreep waarbij een kegel- of conusvormig stukje baarmoederhalsweefsel wordt weggenomen, vandaar de naam[2]. Er zijn verschillende manieren om voorloperletsels weg te halen, maar de standaardbehandeling in België is de lusexcisie of LLETZ (Large loop excision of the transformation zone, ook LEEP – Loop electrosurgical excision procedure – genoemd). Deze behandeling, die onder lokale of algemene verdoving gebeurt en ongeveer een kwartiertje duurt, lijkt op een colposcopie: terwijl de arts door een colposcoop kijkt, wordt met een lusvormig schroeidraadje het afwijkende stukje van het baarmoederhalsoppervlak weggenomen. Zo wordt de gehele zone waar het virus actief is verwijderd, waarna het weggenomen weefsel naar de patholoog wordt gestuurd voor microscopisch onderzoek.
De Nederlandse richtlijn vermeldt ook een behandeling met een vaginale zalf, Imiquimod, maar die wordt bij voorkeur gebruikt in studieverband en alleen in specifieke gevallen.
“Niet elk voorloperletsel evolueert tot baarmoederhalskanker”, zegt dr. Dewilde. “Tweedegraadsletsels kunnen spontaan verdwijnen, vooral bij jonge vrouwen. Voor een derdegraadsletsel is er een duidelijk verhoogd risico op kwaadaardige evolutie, al is spontane genezing niet uitgesloten. Maar omdat we vandaag nog niet kunnen voorspellen welke van die derdegraadsletsels eventueel zullen verdwijnen en welke niet, behandelen we die in principe altijd wegens het verhoogde risico op kanker.”
Die aanpak is ook ingegeven door lessen uit het verleden. In Nieuw-Zeeland werd in de periode 1955-1976 een grote groep vrouwen met derdegraadsletsels niet behandeld vanuit de overtuiging dat CIN3 geen écht voorstadium van kanker was. Jaren later bleek uit een studie op basis van hun medische dossiers dat een aanzienlijk deel van hen – een derde tot de helft – uiteindelijk tóch baarmoederhalskanker ontwikkelde. “Dat willen we dus absoluut vermijden”, benadrukt hij. “Wellicht kunnen we in de toekomst met nieuwe technieken, zoals biomarkers of methylatietesten, beter inschatten welke letsels veilig opgevolgd kunnen worden, maar voorlopig nemen we bij CIN3 geen risico en behandelen we.”
Er is geen behandeling voor HPV
Is het voor vrouwen die geen kinderwens (meer) hebben niet eenvoudiger om meteen de hele baarmoeder weg te nemen? “Die vraag krijg ik wel vaker”, antwoordt hij. “Toch is het een groot misverstand dat een radicale hysterectomie een afdoende behandeling is. Je risico op baarmoederhalskanker is dan wel afwezig, dat weegt niet op tegen de risico’s van de ingreep. Ernstige complicaties zijn weliswaar zeldzaam, maar niet onbestaande, en dus moet je al een hele goede reden hebben om te opereren. Maar belangrijker, het is geen definitieve behandeling voor HPV: als het virus aanwezig blijft, kun je bijvoorbeeld in de vaginakoepel, het bovenste deel van de vagina, opnieuw letsels krijgen, zelfs na een hysterectomie. Bovendien is het belangrijk om te beseffen dat HPV behalve baarmoederhalskanker ook kanker van de vagina, de vulva, de aars en de keel kan veroorzaken.”
Dr. Dewilde is er zich van bewust dat het geen populaire boodschap is, maar alle tabletten en zalfjes die op de markt worden gebracht ten spijt, de bottomline is simpel: er is (nog) geen behandeling voor een HPV-infectie.
Stop met struisvogelgedrag!
Voorkomen blijft dus beter dan genezen. Voor dr. Dewilde liggen de prioriteiten eenvoudig. “We moeten zoveel mogelijk jongeren vaccineren tegen HPV, liefst massaal in het eerste middelbaar, en vrouwen blijven aanmoedigen om zich om de drie of vijf jaar te laten screenen. En wie weet,” zegt hij, “misschien volstaat het bij vrouwen die gevaccineerd zijn binnenkort om ze nog maar één of twee keer in hun leven te testen. Zij zijn veel beter beschermd, waardoor het risico op afwijkingen veel kleiner is. Dat is iets wat onderzocht wordt.”
En vrouwen en hun partners? Wat kunnen zij verder nog zelf doen? Dr. Dewilde is stellig: “Erover praten! HPV, baarmoederhalskanker, uitstrijkjes … praat erover met elkaar, met familie, met vrienden, trek het uit de taboesfeer. Ik hoor vaak van patiënten dat ze na een afwijkend uitstrijkje en behandeling voor een voorstadium met vriendinnen praten die zich nog nooit hebben laten screenen, en dat ze dat nadien wél laten doen. Dat is goed: alle manieren om de participatie te verhogen, onwetendheid weg te nemen en het onderwerp uit de taboesfeer te halen, zijn meegenomen. Angst voor een onderzoek bij een huisarts of gynaecoloog zou geen reden mogen zijn om screening uit te stellen. Meestal valt het beter mee dan verwacht. Ga op zoek naar een arts bij wie je je op je gemak voelt, vraag uitleg en neem gerust iemand mee als dat helpt. Maar stel niet uit – struisvogelgedrag wreekt zich altijd!”
[1] Jaarlijks krijgen bijna 9.000 vrouwen een conisatie om voorloperletsels te behandelen. Bron: RIZIV
[2] Een conisatie wordt niet alleen als behandeling toegepast, maar soms ook om een diagnose te helpen stellen.
“Angst voor een onderzoek bij een huisarts of gynaecoloog zou geen reden mogen zijn om screening uit te stellen.”