Vulvakanker is niets om je voor te schamen
Vulvakanker is zichtbaar en voelbaar – en dus kun je er vroeg bij zijn. Gynaecologisch oncoloog Rawand Salihi over vroege herkenning, behandeling op maat en de kunst van het slecht nieuws brengen.
16 augustus 2026
Baarmoederhals- en vaginakanker zijn goed te behandelen, maar worden nog te vaak laat ontdekt. Gynaecologisch oncoloog Rawand Salihi over screening, gespecialiseerde zorg en de onderschatte impact van kankerbehandelingen op levenskwaliteit.
Baarmoederhalskanker is wellicht de bekendste vorm van kanker die wordt veroorzaakt door HPV. In België worden jaarlijks ongeveer 610 nieuwe gevallen vastgesteld. “We zien een duidelijke piek tussen 35 en 45 jaar”, zegt dr. Salihi. “Maar omdat ook oudere vrouwen nog baarmoederhalskanker krijgen, ligt de gemiddelde leeftijd bij diagnose hoger, rond 50 jaar.” Nagenoeg alle baarmoederhalskankers worden veroorzaakt door een langdurige infectie met hoogrisico-HPV.
Ook vaginakanker is vaak HPV-gerelateerd: 70 tot 75% van de gevallen. Alleen is vaginakanker veel minder bekend. Met jaarlijks maar 30 tot 40 diagnoses is het een van de zeldzaamste gynaecologische kankers. De meeste patiënten krijgen de diagnose rond de leeftijd van 70 jaar, al is vaginakanker ook bij jongere vrouwen niet uitgesloten.
Rawand Salihi is kliniekhoofd gynaecologische oncologie aan het UZ Gent en verbonden aan de UGent, waar hij ook lesgeeft aan studenten en assistenten in opleiding. Daarnaast is hij consulent in het AZ Sint-Lucas Gent en voorzitter van twee werkgroepen binnen de VVOG die zich bezighouden met gynaecologische oncologie. Hij was ook nauw betrokken bij het uitwerken van de nieuwe richtlijnen rond de screening van HPV namens de Vlaamse gynaecologen. Zijn doctoraat ging over nieuwe behandelingen van baarmoederhalskanker.
“Baarmoederhalskanker geeft in een vroeg stadium vaak geen klachten – vandaar het belang van screening. Als er toch symptomen optreden, gaat het meestal om bloedverlies na seksuele contacten of tussen de menstruaties in. Wordt de tumor groter, dan kunnen ook vaginale afscheiding, pijn bij seks en uiteindelijk blaas- of darmklachten optreden, zoals het gevoel van een urineweginfectie zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een infectie of loze aandrang.”
Vaginakanker veroorzaakt vaak gelijkaardige klachten, maar wordt soms later herkend omdat de aandacht tijdens een gynaecologisch onderzoek in de eerste plaats naar de baarmoederhals gaat. “Daarom leer ik mijn assistenten om bij het verwijderen van het speculum ook goed te kijken naar de vagina. Dat kost vijf seconden, maar die kleine extra stap kan voorloperletsels (zie kaderstukje) of zelfs tumoren aan het licht brengen die anders onopgemerkt blijven”, zegt dr. Salihi. “Het is al meer dan eens gebeurd dat een vrouw conisatie na conisatie had gekregen zonder resultaat, terwijl de tumor gewoon in de vagina zat.”
Extra waakzaamheid is ook belangrijk bij vrouwen die vroeger baarmoederhalskanker of een voorloperletsel daarvan hebben gehad, en bij vrouwen met een verzwakt immuunsysteem. Zij lopen een verhoogd risico op HPV-gerelateerde vaginakanker.
Het belangrijkste alarmsignaal is sowieso bloedverlies op een onverwacht moment: tussen twee menstruaties in, na seksuele contacten of na de menopauze. “Postmenopauzaal bloedverlies moet altijd onderzocht worden”, benadrukt dr. Salihi. “Negen op de tien keer zal er niets kwaadaardigs aan de hand zijn, maar die ene keer op de tien is ernstig genoeg om nooit te negeren. Blijf dus niet rondlopen met klachten. Heb je al enkele weken last van bloedverlies, of van vaginale afscheiding met een afwijkende kleur of geur, pijn of andere klachten die niet overgaan, laat je dan onderzoeken!”
VaIN: voorloperletsels van vaginakanker
Vaginakanker heeft voorloperletsels, net zoals baarmoederhalskanker (CIN). Bij vaginakanker is er sprake van VaIN – vaginale intra-epitheliale neoplasie, dat zijn afwijkingen in het epitheel van de vagina, ook dysplasie genoemd. Ze worden ingedeeld in drie graden op basis van de ernst van de afwijkingen:
De term voorloperletsel wordt alleen gebruikt voor de letsels van tweede en derde graad, VaIN2 en VaIN3. Deze letsels worden meestal behandeld om te voorkomen dat ze evolueren naar vaginakanker. Over de kans dat VaIN2 en VaIN3 vanzelf verdwijnen, zijn minder gegevens beschikbaar dan voor CIN, maar die kans lijkt beperkt.
Een afwijkend uitstrijkje of klachten? De volgende stap is verder onderzoek met zo nodig een biopsie en weefselanalyse. Wordt de diagnose baarmoederhals- of vaginakanker gesteld, dan volgt extra onderzoek om twee vragen te beantwoorden: hoe ver heeft de tumor zich uitgebreid en zijn er uitzaaiingen?
De aanpak voor de verdere evaluatie van baarmoederhals- en vaginakanker is grotendeels vergelijkbaar. Een MRI-scan geeft informatie over de grootte van de tumor en hoe ver hij is doorgegroeid naar omliggende weefsels of organen. Met CT- of PET-CT-scans wordt nagegaan of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren of elders in het lichaam. Die informatie is belangrijk voor de keuze en planning van de behandeling.
Bij vaginakanker kan soms aanvullend onderzoek onder narcose nodig zijn om de exacte uitbreiding van de tumor in de vagina in kaart te brengen.
“De aanpak van baarmoederhalskanker is de voorbije jaren almaar complexer geworden”, zegt dr. Salihi. “Welke behandeling het meest geschikt is, hangt vooral af van hoe uitgebreid de tumor is, de algemene gezondheid van de patiënt en een eventuele kinderwens. Heel eenvoudig samengevat komt het hierop neer: bij vroege stadia van baarmoederhalskanker, tot tumoren van ongeveer 4 centimeter[1], kiezen we meestal voor een operatie. Bij de kleinste tumoren volstaat vaak een conisatie. Bij tumoren die niet meer met een conisatie behandeld kunnen worden, is een hysterectomie nodig (zie verder). Meestal wordt die ingreep gecombineerd met een sentinel- of schildwachtklierprocedure om na te gaan of er kankercellen in de lymfeklieren zitten. Voor vrouwen met een kinderwens zijn er bovendien alternatieven, zoals een trachelectomie, waarbij wel de baarmoederhals wordt verwijderd maar de baarmoeder behouden blijft, zodat een zwangerschap later nog mogelijk is.”
Bij grotere of lokaal verder gevorderde tumoren[2] bestaat de standaardbehandeling uit chemoradiotherapie (een combinatie van chemotherapie en bestraling waarbij de chemotherapie het effect van de bestraling versterkt), gevolgd door brachytherapie – een vorm van inwendige bestraling. “Als het bekken moet bestraald worden, raken de eierstokken meestal blijvend beschadigd”, zegt hij. “Met jonge vrouwen bespreken we daarom ook altijd de mogelijkheid om eicellen of eierstokweefsel te laten invriezen. Soms kunnen we de eierstokken verplaatsen, buiten het bestralingsveld. De baarmoeder wordt door de bestraling echter meestal ongeschikt voor een zwangerschap.”
Als de ziekte is uitgezaaid, is chirurgie niet langer een optie. Dan heeft het weinig zin om alleen lokaal te behandelen en moet je overschakelen op systemische behandelingen: behandelingen die in het hele lichaam werken. Omdat baarmoederhalskanker, anders dan bepaalde vormen van borstkanker, niet hormoongevoelig is, bestaat die behandeling meestal uit chemotherapie, al dan niet gecombineerd met immunotherapie of een angiogeneseremmer, een geneesmiddel dat de vorming van nieuwe bloedvaten naar de tumor afremt.
Bij vaginakanker wordt de aanpak grotendeels bepaald door de plaats van de tumor, legt dr. Salihi uit. “Grofweg gezegd: ligt de tumor dicht bij de buitenkant, dan sluit de behandeling vaak meer aan bij die van vulvakanker. Ligt hij dieper in de vagina, dan lijkt de aanpak meer op die van baarmoederhalskanker. Chirurgie wordt minder vaak toegepast, al kunnen kleine tumoren hoog in de vagina soms wel worden geopereerd. In de praktijk krijgen de meeste patiënten chemoradiotherapie gevolgd door brachytherapie. Net als bij baarmoederhalskanker is die inwendige bestraling cruciaal om de tumor lokaal onder controle te krijgen.”
De uiteindelijke behandeling wordt altijd besproken in een multidisciplinair team en afgestemd op de individuele situatie van de patiënt. In dat verband wil dr. Salihi een veelvoorkomende misvatting rechtzetten. “Patiënten denken dat hun prognose slechter is als ze chemoradiotherapie krijgen in plaats van een operatie. Dat klopt niet. Chemoradiotherapie, vaak gecombineerd met brachytherapie, is een zeer doeltreffende behandeling voor baarmoederhalskanker en biedt even goede kansen op genezing als chirurgie.”
“Zelfs bij lokaal gevorderde tumoren, bijvoorbeeld als de kanker is doorgegroeid in het weefsel rond de baarmoederhals of in aangrenzende organen, kunnen we met chemoradiotherapie uitstekende resultaten bereiken. De keuze tussen chirurgie en chemoradiotherapie wordt dus niet in de eerste plaats bepaald door de kans op genezing, maar door de vraag welke behandeling in een specifieke situatie de beste balans biedt tussen effectiviteit en nevenwerkingen. Als een tumor niet volledig chirurgisch verwijderd kan worden, heeft het weinig zin om eerst te opereren en daarna alsnog bestraling te moeten geven. In dat geval kiezen we vaak meteen voor chemoradiotherapie.”
De belangrijkste factor die de prognose bepaalt, is het stadium waarin de kanker wordt ontdekt. Als de ziekte in een vroeg stadium wordt vastgesteld, liggen de kansen op genezing (vijfjaarsoverleving) vaak boven de 90%. Bij uitgezaaide ziekte ziet het plaatje er echter helemaal anders uit: dan daalt de vijfjaarsoverleving tot minder dan 20%.
“Daarom is vroege detectie zo belangrijk”, benadrukt dr. Salihi. “Het probleem is dat baarmoederhals- en vaginakanker vaak geen, weinig of slechts vage klachten veroorzaken. Daardoor wordt 60 tot 70% van de gevallen pas in een verder gevorderd stadium vastgesteld.”
Vervroegde menopauze, seksuele problemen, vruchtbaarheidsvragen of moeilijkheden in de relatie – onderwerpen die vroeger vaak onderbelicht bleven. De boodschap leek wel: mevrouw, we hebben u genezen, u moet tevreden zijn. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Ook als de kanker weg is, kunnen mensen nog jarenlang met de gevolgen van de behandeling worstelen.
Dr. Salihi herinnert zich een patiënt die op consultatie kwam en jaren daarvoor was behandeld voor baarmoederhalskanker. “Ze was rond de veertig en had last van zowat alle menopauzale klachten die je kunt bedenken. Haar relatie liep moeilijk, haar seksleven was onbestaande en psychologisch ging het slecht. Een uur lang heeft ze verteld wat er allemaal misliep.” Hij stelde voor om hormoontherapie te proberen. “Gewoon om haar uit die vervroegde menopauze te halen. Toen ze een tijdje later opnieuw op consultatie kwam, zei ze: dokter, u hebt mij genezen. Dat vergeet ik nooit meer. Die vrouw zag het weer zitten. Niet omdat haar kanker weg was – die was al jaren weg – maar omdat ze eindelijk haar leven terug had.”
Tegenwoordig houden artsen meer dan vroeger rekening met de langetermijngevolgen en nevenwerkingen van een behandeling. Toch wordt de impact van een gynaecologische kanker op relaties en seksualiteit volgens dr. Salihi nog vaak onderschat. Zo kan na een operatie het gevoel in en rond de vagina anders zijn, en radiotherapie kan ervoor zorgen dat de vagina droger, nauwer en minder soepel wordt. Er is onderzoek dat laat zien dat zelfs na een relatief beperkte ingreep, zoals een conisatie, sommige vrouwen moeilijkheden ervaren op het vlak van seksualiteit. “Niet zozeer door de ingreep zelf, maar omdat er iets gebeurd is aan een heel intiem deel van hun lichaam”, zegt hij. “Ik heb vrouwen gezien die nog volledig in beslag werden genomen door wat er gebeurd was, terwijl hun partner het probleem niet zag – de dokter heeft je toch geholpen? Dat kan een relatie flink onder druk zetten.”
Herstel heeft niet alleen een fysieke, maar ook een emotionele en psychologische dimensie. Daarom vindt hij het belangrijk dat partners worden betrokken zowel bij de diagnose en de behandeling als bij de nazorg. Als ze begrijpen wat de ander doormaakt, wordt het gemakkelijker om er samen mee om te gaan. “En daarom geloof ik sterk in multidisciplinaire zorg. Ook oncologisch verpleegkundigen, seksuologen, menopauzeconsulenten en andere zorgverleners kunnen patiënten helpen bij problemen die vaak veel verder reiken dan de kanker zelf.”
Baarmoederhalskanker is een van de meest vermijdbare en behandelbare vormen van kanker. Dr. Salihi benadrukt dat we moeten blijven inzetten op preventie en vroegtijdige opsporing. “Voor vaginakanker zal er wellicht nooit een aparte bevolkingsscreening komen zoals we die kennen voor borst-, darm- of baarmoederhalskanker. Maar een grondige inspectie van de vagina, en van de vulva trouwens ook, kan perfect worden ingepast in de bestaande baarmoederhalsscreening.”
Alleen blijft het klassieke uitstrijkje nog voor te veel vrouwen een drempel. Zelftests kunnen daarom een belangrijke stap vooruit zijn. Toch zullen zelftests alleen het probleem volgens hem niet oplossen. “De vrouwen die vandaag het minst deelnemen aan screening zijn vaak ook het moeilijkst te bereiken via andere kanalen. Volgens mij ligt daar een van de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren.”
En daarnaast moeten we werk maken van de verdere centralisatie van de zorg. “Door vaccinatie en screening zullen baarmoederhalskanker en andere HPV-gerelateerde gynaecologische kankers steeds minder voorkomen”, legt hij uit. “Dat is uiteraard een goede zaak, maar het betekent ook dat we de behandeling van deze kankers absoluut zullen moeten concentreren in centra die voldoende patiënten behandelen om die expertise te behouden. Dat hoeven niet noodzakelijk universitaire centra te zijn, maar wel centra met voldoende ervaring. Bij centralisatie gaat het trouwens niet alleen over de behandeling. Het gaat ook over de diagnosestelling – ik denk dan aan het weefselonderzoek dat essentieel is voor een juiste diagnose. Dat vraagt de expertise van ervaren gynaecologisch pathologen, omdat sommige tumoren in een biopsiestaal moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Centralisatie maakt het ook gemakkelijker om patiënten te omringen met een multidisciplinair team van gespecialiseerde zorgverleners. In een ziekenhuis dat maar één of twee patiënten per jaar behandelt, is het moeilijk om zo’n omkadering uit te bouwen. In gespecialiseerde centra is dat veel haalbaarder.”
“We hebben de kennis, de testen en de behandelingen. De grootste winst zullen we boeken als we ook die groepen bereiken die vandaag nog te vaak uit de boot vallen en een goede multidisciplinaire begeleiding kunnen aanbieden in gespecialiseerde centra”, besluit hij.
Op het vlak van behandeling is er de voorbije jaren veel vooruitgang geboekt.
De SHAPE-studie toonde aan dat vrouwen met een kleine baarmoederhalstumor, tot 2 centimeter, vaak even veilig behandeld kunnen worden met eenvoudige hysterectomie als met een radicale hysterectomie, waarbij behalve de baarmoeder en de baarmoederhals ook meer omliggend weefsel wordt verwijderd. De minder ingrijpende operatie, de eenvoudige hysterectomie, ging bovendien gepaard met minder urinewegcomplicaties, een beter seksueel functioneren en een betere levenskwaliteit. “Die resultaten hebben de praktijk mee veranderd: bij kleine tumoren wordt nu vaker gekozen voor een eenvoudige hysterectomie, terwijl vroeger vaker een radicale ingreep werd uitgevoerd”, aldus dr. Salihi.
Ook de aanpak van de lymfeklieren is veranderd. “Bij baarmoederhalskanker verwijderden we vroeger vaak alle lymfeklieren in een bepaald gebied, maar tegenwoordig volstaat het in veel gevallen om alleen de sentinel of schildwachtklier weg te nemen – de eerste lymfeklier waarnaar kankercellen zich kunnen verspreiden. Bij vulvakanker doen we dit al langer.” Die procedure geeft vergelijkbare oncologische resultaten, maar gaat gepaard met minder lymfoedeem. Vandaag is ze ook bij baarmoederhalskanker de standaard.
Daarnaast is de radiotherapie sterk geëvolueerd. Bij baarmoederhalskanker wordt vandaag image-guided adaptieve brachytherapie gebruikt. Met behulp van beeldvorming kunnen artsen tijdens de behandeling inspelen op veranderingen van de tumor. Zo wordt de bestraling beter op de tumor gericht en minder op het omliggende gezonde weefsel, waardoor het risico op nevenwerkingen afneemt.
En dan zijn er nog belangrijke stappen gezet met systemische behandelingen. De INTERLACE-studie toonde aan dat inductiechemotherapie – een korte extra kuur chemotherapie vóór de standaard chemoradiotherapie – de overleving verbetert bij lokaal gevorderde baarmoederhalskanker. “De laatste jaren zien we ook een steeds grotere rol voor immunotherapie”, zegt dr. Salihi. De KEYNOTE-A18-studie liet zien dat de toevoeging van pembrolizumab aan chemoradiotherapie de resultaten verder kan verbeteren bij lokaal gevorderde baarmoederhalskanker. Pembrolizumab is een vorm van immunotherapie. Bij uitgezaaide of hervallen ziekte kan pembrolizumab ook worden toegevoegd aan de systemische behandeling van patiënten met een PD-L1-positieve tumor (een tumor die het eiwit PD-L1 ‘tot expressie brengt’, een kenmerk dat kan helpen voorspellen of deze vorm van immunotherapie werkzaam zal zijn), zoals aangetoond in de KEYNOTE-826-studie.
Verder zitten er veelbelovende therapieën in de pipeline. Zo lopen er momenteel klinische studies naar therapeutische HPV-vaccins, bedoeld om HPV-infecties, voorloperletsels en/of kanker te behandelen. Voor hervallen baarmoederhalskanker verwacht dr. Salihi ook veel van ADC’s (antibody-drug conjugates), een vorm van doelgerichte therapie waarbij een antilichaam het kankerdodend middel vooral bij de tumorcellen aflevert. In vergelijking met klassieke chemotherapie komt zo meer van het geneesmiddel terecht in de tumor en minder in gezond weefsel.
“Er zijn zeker nog innovaties nodig,” zegt hij, “maar ik denk dat we de komende jaren niet zozeer moeten focussen op het verder verbeteren van de overleving. De resultaten zijn vandaag al erg goed, al blijven we uiteraard streven naar elke bijkomende procent winst. De grootste uitdaging wordt volgens mij het verder verminderen van de nevenwerkingen van onze behandelingen. Denk aan de impact van chirurgie, radiotherapie en chemoradiotherapie op de levenskwaliteit, de seksuele functie en de vruchtbaarheid van patiënten. Daar moeten we nóg meer aandacht voor hebben.”
[1] FIGO-stadium IA1 tot IB2. FIGO is de internationale classificatie die artsen gebruiken om het stadium van gynaecologische kankers te beschrijven. Stadium IA1 tot IB2 omvat vroege vormen van baarmoederhalskanker die beperkt zijn tot de baarmoederhals.
[2] FIGO-stadium IB3 tot IVA omvat lokaal gevorderde baarmoederhalskanker: de tumor is groter geworden of heeft zich uitgebreid buiten de baarmoederhals, maar er zijn nog geen uitzaaiingen naar andere organen.
Vulvakanker is zichtbaar en voelbaar – en dus kun je er vroeg bij zijn. Gynaecologisch oncoloog Rawand Salihi over vroege herkenning, behandeling op maat en de kunst van het slecht nieuws brengen.
De eerste resultaten van de ZORALCS-studie tonen dat georganiseerde longkankerscreening in Vlaanderen haalbaar is en resultaten oplevert die vergelijkbaar zijn met die van ander Europese studies.
Hoofd- en halskankers werden lange tijd vooral in verband gebracht met tabak en alcohol. Maar er is ook een andere oorzaak, namelijk een virus: het humaan papillomavirus (HPV).