Van klacht naar diagnose
Een afwijkend uitstrijkje of klachten? De volgende stap is verder onderzoek met zo nodig een biopsie en weefselanalyse. Wordt de diagnose baarmoederhals- of vaginakanker gesteld, dan volgt extra onderzoek om twee vragen te beantwoorden: hoe ver heeft de tumor zich uitgebreid en zijn er uitzaaiingen?
De aanpak voor de verdere evaluatie van baarmoederhals- en vaginakanker is grotendeels vergelijkbaar. Een MRI-scan geeft informatie over de grootte van de tumor en hoe ver hij is doorgegroeid naar omliggende weefsels of organen. Met CT- of PET-CT-scans wordt nagegaan of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren of elders in het lichaam. Die informatie is belangrijk voor de keuze en planning van de behandeling.
Bij vaginakanker kan soms aanvullend onderzoek onder narcose nodig zijn om de exacte uitbreiding van de tumor in de vagina in kaart te brengen.
Chirurgie: wanneer wel, wanneer niet
“De aanpak van baarmoederhalskanker is de voorbije jaren almaar complexer geworden”, zegt dr. Salihi. “Welke behandeling het meest geschikt is, hangt vooral af van hoe uitgebreid de tumor is, de algemene gezondheid van de patiënt en een eventuele kinderwens. Heel eenvoudig samengevat komt het hierop neer: bij vroege stadia van baarmoederhalskanker, tot tumoren van ongeveer 4 centimeter[1], kiezen we meestal voor een operatie. Bij de kleinste tumoren volstaat vaak een conisatie. Bij tumoren die niet meer met een conisatie behandeld kunnen worden, is een hysterectomie nodig (zie verder). Meestal wordt die ingreep gecombineerd met een sentinel- of schildwachtklierprocedure om na te gaan of er kankercellen in de lymfeklieren zitten. Voor vrouwen met een kinderwens zijn er bovendien alternatieven, zoals een trachelectomie, waarbij wel de baarmoederhals wordt verwijderd maar de baarmoeder behouden blijft, zodat een zwangerschap later nog mogelijk is.”
Bij grotere of lokaal verder gevorderde tumoren[2] bestaat de standaardbehandeling uit chemoradiotherapie (een combinatie van chemotherapie en bestraling waarbij de chemotherapie het effect van de bestraling versterkt), gevolgd door brachytherapie – een vorm van inwendige bestraling. “Als het bekken moet bestraald worden, raken de eierstokken meestal blijvend beschadigd”, zegt hij. “Met jonge vrouwen bespreken we daarom ook altijd de mogelijkheid om eicellen of eierstokweefsel te laten invriezen. Soms kunnen we de eierstokken verplaatsen, buiten het bestralingsveld. De baarmoeder wordt door de bestraling echter meestal ongeschikt voor een zwangerschap.”
Als de ziekte is uitgezaaid, is chirurgie niet langer een optie. Dan heeft het weinig zin om alleen lokaal te behandelen en moet je overschakelen op systemische behandelingen: behandelingen die in het hele lichaam werken. Omdat baarmoederhalskanker, anders dan bepaalde vormen van borstkanker, niet hormoongevoelig is, bestaat die behandeling meestal uit chemotherapie, al dan niet gecombineerd met immunotherapie of een angiogeneseremmer, een geneesmiddel dat de vorming van nieuwe bloedvaten naar de tumor afremt.
Bij vaginakanker wordt de aanpak grotendeels bepaald door de plaats van de tumor, legt dr. Salihi uit. “Grofweg gezegd: ligt de tumor dicht bij de buitenkant, dan sluit de behandeling vaak meer aan bij die van vulvakanker. Ligt hij dieper in de vagina, dan lijkt de aanpak meer op die van baarmoederhalskanker. Chirurgie wordt minder vaak toegepast, al kunnen kleine tumoren hoog in de vagina soms wel worden geopereerd. In de praktijk krijgen de meeste patiënten chemoradiotherapie gevolgd door brachytherapie. Net als bij baarmoederhalskanker is die inwendige bestraling cruciaal om de tumor lokaal onder controle te krijgen.”
Vroege diagnose, goede prognose
De uiteindelijke behandeling wordt altijd besproken in een multidisciplinair team en afgestemd op de individuele situatie van de patiënt. In dat verband wil dr. Salihi een veelvoorkomende misvatting rechtzetten. “Patiënten denken dat hun prognose slechter is als ze chemoradiotherapie krijgen in plaats van een operatie. Dat klopt niet. Chemoradiotherapie, vaak gecombineerd met brachytherapie, is een zeer doeltreffende behandeling voor baarmoederhalskanker en biedt even goede kansen op genezing als chirurgie.”
“Zelfs bij lokaal gevorderde tumoren, bijvoorbeeld als de kanker is doorgegroeid in het weefsel rond de baarmoederhals of in aangrenzende organen, kunnen we met chemoradiotherapie uitstekende resultaten bereiken. De keuze tussen chirurgie en chemoradiotherapie wordt dus niet in de eerste plaats bepaald door de kans op genezing, maar door de vraag welke behandeling in een specifieke situatie de beste balans biedt tussen effectiviteit en nevenwerkingen. Als een tumor niet volledig chirurgisch verwijderd kan worden, heeft het weinig zin om eerst te opereren en daarna alsnog bestraling te moeten geven. In dat geval kiezen we vaak meteen voor chemoradiotherapie.”
De belangrijkste factor die de prognose bepaalt, is het stadium waarin de kanker wordt ontdekt. Als de ziekte in een vroeg stadium wordt vastgesteld, liggen de kansen op genezing (vijfjaarsoverleving) vaak boven de 90%. Bij uitgezaaide ziekte ziet het plaatje er echter helemaal anders uit: dan daalt de vijfjaarsoverleving tot minder dan 20%.
“Daarom is vroege detectie zo belangrijk”, benadrukt dr. Salihi. “Het probleem is dat baarmoederhals- en vaginakanker vaak geen, weinig of slechts vage klachten veroorzaken. Daardoor wordt 60 tot 70% van de gevallen pas in een verder gevorderd stadium vastgesteld.”
De focus verschuift: van overleven naar léven
Vervroegde menopauze, seksuele problemen, vruchtbaarheidsvragen of moeilijkheden in de relatie – onderwerpen die vroeger vaak onderbelicht bleven. De boodschap leek wel: mevrouw, we hebben u genezen, u moet tevreden zijn. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Ook als de kanker weg is, kunnen mensen nog jarenlang met de gevolgen van de behandeling worstelen.
Dr. Salihi herinnert zich een patiënt die op consultatie kwam en jaren daarvoor was behandeld voor baarmoederhalskanker. “Ze was rond de veertig en had last van zowat alle menopauzale klachten die je kunt bedenken. Haar relatie liep moeilijk, haar seksleven was onbestaande en psychologisch ging het slecht. Een uur lang heeft ze verteld wat er allemaal misliep.” Hij stelde voor om hormoontherapie te proberen. “Gewoon om haar uit die vervroegde menopauze te halen. Toen ze een tijdje later opnieuw op consultatie kwam, zei ze: dokter, u hebt mij genezen. Dat vergeet ik nooit meer. Die vrouw zag het weer zitten. Niet omdat haar kanker weg was – die was al jaren weg – maar omdat ze eindelijk haar leven terug had.”
Tegenwoordig houden artsen meer dan vroeger rekening met de langetermijngevolgen en nevenwerkingen van een behandeling. Toch wordt de impact van een gynaecologische kanker op relaties en seksualiteit volgens dr. Salihi nog vaak onderschat. Zo kan na een operatie het gevoel in en rond de vagina anders zijn, en radiotherapie kan ervoor zorgen dat de vagina droger, nauwer en minder soepel wordt. Er is onderzoek dat laat zien dat zelfs na een relatief beperkte ingreep, zoals een conisatie, sommige vrouwen moeilijkheden ervaren op het vlak van seksualiteit. “Niet zozeer door de ingreep zelf, maar omdat er iets gebeurd is aan een heel intiem deel van hun lichaam”, zegt hij. “Ik heb vrouwen gezien die nog volledig in beslag werden genomen door wat er gebeurd was, terwijl hun partner het probleem niet zag – de dokter heeft je toch geholpen? Dat kan een relatie flink onder druk zetten.”
Herstel heeft niet alleen een fysieke, maar ook een emotionele en psychologische dimensie. Daarom vindt hij het belangrijk dat partners worden betrokken zowel bij de diagnose en de behandeling als bij de nazorg. Als ze begrijpen wat de ander doormaakt, wordt het gemakkelijker om er samen mee om te gaan. “En daarom geloof ik sterk in multidisciplinaire zorg. Ook oncologisch verpleegkundigen, seksuologen, menopauzeconsulenten en andere zorgverleners kunnen patiënten helpen bij problemen die vaak veel verder reiken dan de kanker zelf.”
Vroege detectie, gebundelde expertise
Baarmoederhalskanker is een van de meest vermijdbare en behandelbare vormen van kanker. Dr. Salihi benadrukt dat we moeten blijven inzetten op preventie en vroegtijdige opsporing. “Voor vaginakanker zal er wellicht nooit een aparte bevolkingsscreening komen zoals we die kennen voor borst-, darm- of baarmoederhalskanker. Maar een grondige inspectie van de vagina, en van de vulva trouwens ook, kan perfect worden ingepast in de bestaande baarmoederhalsscreening.”
Alleen blijft het klassieke uitstrijkje nog voor te veel vrouwen een drempel. Zelftests kunnen daarom een belangrijke stap vooruit zijn. Toch zullen zelftests alleen het probleem volgens hem niet oplossen. “De vrouwen die vandaag het minst deelnemen aan screening zijn vaak ook het moeilijkst te bereiken via andere kanalen. Volgens mij ligt daar een van de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren.”
En daarnaast moeten we werk maken van de verdere centralisatie van de zorg. “Door vaccinatie en screening zullen baarmoederhalskanker en andere HPV-gerelateerde gynaecologische kankers steeds minder voorkomen”, legt hij uit. “Dat is uiteraard een goede zaak, maar het betekent ook dat we de behandeling van deze kankers absoluut zullen moeten concentreren in centra die voldoende patiënten behandelen om die expertise te behouden. Dat hoeven niet noodzakelijk universitaire centra te zijn, maar wel centra met voldoende ervaring. Bij centralisatie gaat het trouwens niet alleen over de behandeling. Het gaat ook over de diagnosestelling – ik denk dan aan het weefselonderzoek dat essentieel is voor een juiste diagnose. Dat vraagt de expertise van ervaren gynaecologisch pathologen, omdat sommige tumoren in een biopsiestaal moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Centralisatie maakt het ook gemakkelijker om patiënten te omringen met een multidisciplinair team van gespecialiseerde zorgverleners. In een ziekenhuis dat maar één of twee patiënten per jaar behandelt, is het moeilijk om zo’n omkadering uit te bouwen. In gespecialiseerde centra is dat veel haalbaarder.”
“We hebben de kennis, de testen en de behandelingen. De grootste winst zullen we boeken als we ook die groepen bereiken die vandaag nog te vaak uit de boot vallen en een goede multidisciplinaire begeleiding kunnen aanbieden in gespecialiseerde centra”, besluit hij.